Op 7 mei 1925 stapte bisschop Frans Schraven in Shanghai aan boord van de pakketboot ‘André Lebon’ voor een verlofperiode van een aantal maanden in zijn moederland. Hij reisde samen met een drietal medebroeders: de uit Noord-Frankrijk afkomstige Paul-Albert Faveau (1859-1949), titulair bisschop van Tamassa en sinds mei 1910 apostolische vicaris van Hang-tcheou (West-Tché-kiang); zijn landgenoot Koos van Ravesteyn (1867-1927) die sinds 1922 waarnemend procurator was in Yungpingfu; en de Ier Jac Mullins (1879-1939) die vanaf begin 1919 als missionaris in Noord-Tché-ly werkzaam was. In de vertrekruimte van de ‘Compagnie des Messageries Maritimes’ had Frans ook kennis gemaakt met een vijfde verlofganger, de franciscaan Fortunatus Spruit (1880-1943). Tijdens de 35 veelal saaie dagen op zee had hij alle tijd om met deze landgenoot van gedachten te wisselen over hun beider levensverhaal en werkzaamheden in respectievelijk Chengtingfu en Luanfu. Zij bleken het namelijk van meet af aan bijzonder goed met elkaar te kunnen vinden.
Anton Spruit was op 10 juli 1880 geboren in de gemeente Haastrecht. Zijn diepgodsdienstige ouders bezaten een grote veeboerderij in het buitengebied tussen Haastrecht en Oudewater. Vijf van hun tien kinderen kozen voor het religieuze leven. Anton, Kees en Gijs werden franciscaan, terwijl twee van hun zusjes franciscanes werden. Anton, die bij zijn intrede in de orde de kloosternaam Fortunatus ontving, was één jaar na zijn priesterwijding op 25 maart 1906 in Weert als missionaris naar Zuid-Shanxi vertrokken. Dit missiegebied, qua oppervlakte iets groter dan Nederland, was – anders dan het grotendeels vlakke Zuidwest-Tché-ly – door zijn natuurlijke ligging, want rondom door hoge bergen afgescheiden van de aangrenzende provincies, enkel langs nauwe en moeilijk begaanbare bergpaden bereikbaar. Het was in juni 1890 toevertrouwd aan de Nederlandse franciscanenprovincie. Dat betekende dat er voortaan alleen Nederlandse franciscanen als missionaris werkzaam waren. Zij werden geassisteerd door een groeiend aantal Chinese priesters, aanvankelijk enkel seculieren, maar vanaf een bepaald moment ook door enkele Chinese franciscanen. Fortunatus die inmiddels aan het hoofd stond van een van de zes kerkdistricten van Luanfu en goed kon opschieten met zijn ordegenoot, apostolische vicaris Odoricus Timmer (1859-1943), zal Frans Schraven tijdens hun gezamenlijke zeereis naar huis verteld hebben over de franciscaanse missiestrategie ten aanzien van ‘zijn’ geïsoleerd levende boerenbevolking die weinig onderwijs had genoten en maar moeilijk afstand kon doen van allerlei voorvaderlijke gebruiken en levensgewoonten.
Schraven op zijn beurt zal zijn landgenoot deelgenoot hebben gemaakt van de spanningen in zijn vicariaat, gevolg van de internationale samenstelling van zijn missionarissencorps en het overwicht dat zijn Franse medebroeders te midden van hun collegae trachtten te behouden. Ook konden zij, aldus Schraven, niet verkroppen dat een ‘Hollander’ aan het hoofd stond van een vicariaat dat volgens hen aan ‘Frankrijk’ toebehoorde. Spruit zowel als Schraven gaven ten opzichte van elkaar toe dat de westerse missionarissen zich moesten voorbereiden op een rol als ‘dienaar van een lokale, Chinese kerk’ waarin landeigen bisschoppen en priesters de leiding hadden, maar zij vonden beiden ook dat de tijd hiervoor nog niet rijp was. Dat de Propaganda Fide in Rome daar anders over dacht, was hen echter ook bekend.
Op 11 juni 1925 arriveerde de ‘André Lebon’ na een weinig spectaculaire reis in Marseille. De vier lazaristen reisden vervolgens door naar hun moederhuis in Parijs, terwijl Spruit, mogelijk ook via Parijs, naar zijn provincialaat in Weert treinde. Op 15 januari 1926 aanvaardde Frans Schraven samen met Van Ravesteyn en ruim veertig andere religieuzen vanuit Marseille de terugreis naar Chengtingfu, nu met de pakketboot ‘Porthos’. Op 20 februari meerde de ‘Porthos’ aan in de haven van Shanghai. Maar verder reizen zat er voorlopig niet in, althans niet per trein. Vanwege een steeds weer oplaaiende ‘generaalsoorlog’, maar ook vanwege de voortdurende botsingen tussen de republikeinse ‘nationalisten’ en de internationaal georiënteerde ‘bolschevieken’ langs de sporen naar het Noorden was van een normaal treinverkeer geen sprake meer. Al improviserend wist Frans Schraven zijn bisschopsstad op 23 maart 1926 toch weer te bereiken. Fortunatus Spruit die op 20 januari 1926 samen met een drietal medebroeders vanuit Genua naar China terugkeerde, trof het al niet veel beter. In een brief aan zijn thuisfront meldde hij eind april dat “wij na een hoogst avontuurlijke tocht en een aller vermoeiendste binnenlandsche reis pas op 16 april 1926 heelhuids in Luanfu zijn gearriveerd.” Op 22 december 1927 werd Fortunatus door Pius XI benoemd tot bisschop van Varga en tot apostolische vicaris van Luanfu als opvolger van Odoricus Timmer, die op 20 augustus 1926 gezien zijn gevorderde leeftijd was teruggetreden. Fortunatus was op dat moment pastoor van Sinchwang, een van de belangrijkste kerkdistricten van het vicariaat. Ook vervulde hij sinds eind 1925 de functie van reguliere overste van alle franciscanen die in het vicariaat Luanfu werkzaam waren.
Voor zijn bisschopswijding op 25 april 1928 nodigde hij Frans Schraven uit om bij de wijding te assisteren. Die vertrok daartoe op 15 april naar de bisschoppelijke residentie van Luanfu: het eerste stuk per trein en de verdere reis op een muilezel en met een Chinese kar. Onderweg overnachtte hij onder meer in de pastorie van Sinchwang. Ondanks de troepenbewegingen in die regio in verband met de zogenoemde ‘Tweede Noordelijke Expeditie’ onder leiding van generalissimo Chiang Kai-shek kon de bisschopswijding zonder veel problemen op 25 april doorgang vinden met bisschop Odoricus Timmer als hoofdconsecrator en de bisschoppen Frans Schraven en Aloysius Tch’en O.F.M., apostolische vicaris van Fenyang in Noord-Shanxi als medeconsecratoren. Volgens een aanwezige “verliep het geheel schitterend met de nodige – bij plechtigheden in China onafscheidelijke – drukte, donderbussen en het aanbieden van geschenken.”
De terugreis viel Frans Schraven echter tegen. “Eerst zes dagen lang op een muilezel. Daarna aangekomen bij de spoorlijn, bleken er vanwege het krijgsgewoel geen treinen meer te rijden.” Na lang soebatten kon hij eindelijk met een militaire trein mee. Pas op 5 mei was hij weer terug in Chengtingfu, opgelucht dat hem onderweg niets was overkomen.
In de jaren nadien had Frans Schraven graag nog eens van gedachten gewisseld met Fortunatus Spruit. Beiden hadden deels met dezelfde problemen te maken. Die betroffen onder meer de vraag of en hoe uitvoering gegeven moest worden aan de opdracht van de Propaganda Fide om delen van hun beider vicariaten af te splitsen en toe te vertrouwen aan landeigen bisschoppen. Schraven had daartoe al in augustus 1928 moeten besluiten met als gevolg dat hij in februari 1929 “het schoonste gedeelte van mijn vicariaat” moest afstaan aan de seculiere Chinese clerus. Spruit op zijn beurt moest in de zomer van 1932 het noordwestelijk deel van zijn vicariaat aan een Chinese kerkleider overdragen. Een probleem betrof ook de verdeling van bevoegdheden tussen de ‘superior missionis’ (de apostolische vicaris) en de ‘superior regularis’ (de reguliere overste), waarover zowel in de franciscanenmissie Luanfu als in de lazaristenmissie Chengtingfu zeer uiteenlopend gedacht werd. Maar van een nieuwe ontmoeting tussen Schraven en Spruit is het niet meer gekomen.
Het uitbreken van de Tweede Chinees-Japanse Oorlog in juli 1937 leidde ertoe dat Chengtingfu op 9 oktober 1937 met veel geweld door het Japanse leger werd ingenomen. Nog diezelfde dag werd Frans Schraven samen met acht andere Europeanen opgepakt en dichtbij zijn residentie vermoord, omdat hij had geweigerd vrouwen op zijn missieterrein uit te leveren aan plunderende soldaten. Begin 1938 werd ook het vicariaat Luanfu door Japanse troepen bezet. Aanvankelijk werden de Nederlandse missionarissen ontzien, maar dat gold niet voor de boerenbevolking. Die had veel te lijden van plunderingen, brandstichtingen en afpersingen. Maar nadat in december 1941 ook het Verre Oosten met de Tweede Wereldoorlog te maken kreeg, werden ook de westerse missionarissen een doelwit. Een veeg teken was de moord op de franciscanen Wilgisus van Dijk en Matthias Scholberg op 13 december 1941 in Likao en Licheng. De daders? Communistische rovers, volgens de Japanse legerleiding. Maar die legerleiding deed in de maanden nadien niets om de missionarissen te beschermen tegen plunderingen en mishandelingen, of die nu kwamen van de kant van de communisten of van de eigen troepen. Op 20 maart 1943 kregen de Nederlanders opdracht om binnen drie uur per trein naar Taiyuanfu, de hoofdstad van Shanxi te vertrekken en vandaar enkele dagen later verder te reizen naar een interneringskamp bij de stad Weixian of Weihsien in de provincie Shandong. Alleen de inmiddels stokoude Odoricus Timmer en de ernstig zieke Fortunatus Spruit mochten, zij het onder huisarrest, in de residentie van de Italiaanse franciscanen in Taiyuanfu achterblijven samen met twee Nederlandse zusters. Timmer is daar op 26 april 1943 overleden, Spruit op 12 juli 1943.
Utrecht mei 2026 dr. Jan Jacobs
Foto 1: de katholieke illustratie; zondags-lektuur voor het katholieke Nederlandsche volk, jrg 47, 1912-1913, no. 34, 31-05-1913.
Foto 2: Sint Antonius maandschrift voor de vereerders van den grooten wonder- doener van Padua, jrg 34, no. 4, 1928 2: Bron: website Delpher van de Koninklijke Bibliotheek.